De stille ramp in de kledingindustrie

2352x bekeken
Tientallen miljoenen arbeiders die onze kleding maken krijgen daarvoor geen leefbaar loon betaald. Het minimumloon in landen als Bangladesh, Cambodja, Ethiopië, Indonesië en Myanmar, maar ook in Turkije of Roemenië is bij lange na niet genoeg om basisbehoeften als voeding, kleding, huisvesting, onderwijs of medische zorg te kunnen betalen.

Om een leefbaar loon te verdienen is vaak een verdubbeling of verdriedubbeling van hun salaris noodzakelijk, maar dat lijkt een utopie. Daarom leven veel textielarbeiders in armoede en is kinderarbeid aan de orde van de dag. Hoe krijgen zij een eerlijker salaris en een betere toekomst? Wie neemt hiervoor de verantwoordelijkheid? Overheden, werkgevers, vakbonden, kledingmerken, banken of de consument; allemaal spelen ze hierin een belangrijke rol.

Wat is een leefbaar loon?

De term leefbaar loon werd voor het eerst expliciet genoemd in het vredesverdrag van Versailles, net na de Eerste Wereldoorlog in 1919, toen de Internationale Arbeidsorganisatie ILO werd opgericht. Wereldleiders erkenden toen al dat slechte en oneerlijke werkomstandigheden de wereldvrede bedreigen en dat een leefbaar loon noodzakelijk is. Dat werd in artikel 427 als volgt omschreven: ‘Een loon dat voor werknemers toereikend is om redelijk van te kunnen leven in hun land en tijd.’

Na de Tweede Wereldoorlog, in 1948, werd het leefbaar loon opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties. In artikel 23, lid 3 staat: ‘Een ieder, die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert.’ 'Het is dus een mensenrecht. Daarom is het bedenkelijk dat we nu honderd jaar verder zijn en we moeten constateren dat miljoenen mensen die in de kledingindustrie werken nog steeds structureel onderbetaald worden,' zegt Irina van der Sluijs, mensenrechtendeskundige bij ASN Bank.

Wat verstaan we er nu onder?

Tegenwoordig omschrijven we een leefbaar loon als een loon dat voldoende is om te voorzien in de basisbehoeften van de werknemer en zijn of haar gezin. Dan gaat het om behoeften als voedsel, kleding, huisvesting en andere dagelijkse lasten, bijvoorbeeld voor school en medische hulp. 'Dat betekent niet dat mensen er 3 keer per jaar van op vakantie kunnen. Als je je kinderen naar school kunt sturen, in plaats van te laten werken, dan zijn we al een hele stap verder,' aldus Van der Sluijs.

Beleidsadviseur Ruben Korevaar van FNV Mondiaal: 'Het is een rekbaar begrip. Het is gekoppeld aan de kosten voor levensonderhoud in een specifiek land. Het moet in elk geval een loon zijn waar een gezin minimaal van kan bestaan.'

Hoe bereken je een leefbaar loon?

Verschillende stichtingen en organisaties onderzoeken jaarlijks hoe hoog het leefbaar loon in een land is. Dat doen ze door het benodigde inkomen af te zetten tegen de gezinsgrootte en lokale kosten van levensonderhoud en huisvesting, medische zorg, onderwijs, inflatie en andere graadmeters.

De Global Living Wage Coalition (GLWC) houdt van 21 landen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika bij wat het leefbaar loon zou moeten zijn. Fair Wear Foundation publiceert rapporten over lonen en arbeidsomstandigheden in 11 textiel producerende landen. Van Indonesië tot Turkije en van India tot Roemenië. De Asia Floor Wage Alliance (AFWA) berekent voor alle arbeiders in de Aziatische kledingindustrie welk loon voor hen leefbaar is.

'Als je je kinderen naar school kunt sturen, in plaats van te laten werken, dan zijn we al een hele stap verder.'
Irina van der Sluijs, mensenrechtendeskundige bij ASN Bank

Hoe hoog is dat loon dan?

Hoe hoog een leefbaar loon is verschilt dus per land. Belangrijk is ook hoe het leefbaar loon zich verhoudt tot het wettelijk minimumloon.

In een land als Bangladesh is het minimumloon in 2018 verhoogd naar € 86 (8000 Taka) per maand, terwijl het leefbaar loon tussen de € 146 (13.630 Taka) en € 177 (16.460 Taka) zou moeten liggen. Het Asian Floor Wage bedraagt er zelfs € 407 (37.661 Taka).

In Myanmar steeg het minimumloon van € 2,13 (3600 Kyat) naar € 2,85 (4800 Kyat) per dag, terwijl het leefbaar loon het dubbele bedraagt. 'Bovendien werd die verhoging van het minimumloon teniet gedaan door 20 tot 30% inflatie. Dan hou je nog niets over,' zegt Korevaar.

In Ethiopië verdienen de meeste mensen niet meer dan € 37 (1200 Birr) per maand. Het leefbaar loon bedraagt er volgens GLWC echter € 104 (3367 Birr) per maand. De meeste arbeiders leven daardoor onder de armoedegrens, terwijl ze ook nog eens werkdagen van soms wel 12 uur maken.

De meeste arbeiders krijgen dus geen leefbaar loon?

Nee, de meeste arbeiders in de kledingindustrie verdienen het minimumloon of zelfs minder. Daarmee voldoen bedrijven aan de wet, maar werknemers kunnen hier niet van rondkomen. 'Vaak is het minimum loon in deze landen slechts 20 of 25% van het leefbaar loon,' zegt coördinator leefbaar loon Anne van Lakerveld van Fair Wear Foundation. 'In het merendeel van de landen waar onze kleding wordt gemaakt is het minimum loon geen leefbaar loon.' Ook Korevaar van FNV Mondiaal ziet dat.

'Het probleem is immens. In het merendeel van de textiel producerende landen wordt geen leefbaar loon betaald,' stelt hij vast.

Van der Sluijs: 'Het is een stille ramp. Een probleem dat niet als probleem wordt gezien. We willen niet zien dat de mensen die onze T-shirts maken onderbetaald worden. Ook in Nederland profiteren wij van de kinderarbeid en de uitbuiting van mensen aan de andere kant van de wereld.'

Waarom wordt dat minimumloon niet verhoogd?

Westerse landen hebben wetten aangenomen om de ergste uitbuiting in arme landen te voorkomen. Groot-Brittannië voerde in 2015 de ‘Modern Slavery Act’ in. Die stelt bedrijven verplicht om jaarlijks te rapporteren wat zij doen tegen kinderarbeid en moderne slavernij. De ‘Loi Vigilance’ die Frankrijk in 2017 invoerde beoogt hetzelfde. In Nederland is sinds mei 2019 de Wet Zorgplicht Kinderarbeid van kracht. Die eist van bedrijven dat ze kinderarbeid in hun keten opsporen, voorkomen en zo nodig aanpakken. De VN heeft 2021 al uitgeroepen tot jaar van de uitbanning van kinderarbeid.

Die wetten pakken misschien de ergste uitwassen aan, maar leidt nog niet tot verhoging van minimumlonen tot een leefbaar loon. De zwakke economische positie van veel kleding producerende landen maakt dat moeilijk. Bovendien zijn ze bang voor de concurrentie van andere lage loonlanden.

'De overheid van Bangladesh is bijvoorbeeld bang dat het land een groot deel van zijn inkomsten kwijt zal raken als het zijn minimum loon verhoogt omdat internationale bedrijven dan hun kleding elders laten produceren,' zegt Van Lakerveld. 'Zo ontstaat de gekke situatie dat kledingbedrijven profiteren van het feit dat mensenrechten niet nageleefd worden. Als dat wel gebeurt, vertrekken ze naar een ander land.'

Ook niet als het beter gaat met een land?

De FNV ziet dat de sterke economische groei in de zogeheten Aziatische tijgers zoals China en Vietnam niet tot significant hogere lonen in de kledingindustrie hebben geleid. 'Omdat 30 tot 40% van de maakkosten in deze sector in de loonkosten zit, zijn landen heel erg bang dat bedrijven naar de buren gaan,' zegt Korevaar. 'Maar dat beeld verdient nuance, want verplaatsen van productie is lastig. Een land als Ethiopië mist bijvoorbeeld nog de infrastructuur die nodig is voor het leveren van hoge kwaliteit kleding. Dit soort landen is nog een te groot risico en daarom denken wij niet dat bedrijven op grote schaal hun productie daarheen gaan verplaatsen.'

'Ook in Nederland profiteren wij van de kinderarbeid en de uitbuiting van mensen aan de andere kant van de wereld.'
Irina van der Sluijs, mensenrechtendeskundige bij ASN Bank

Waar zit het probleem dan?

Het probleem zit eigenlijk in de hele keten die een broek, shirt of blouse aflegt tussen productie en de schappen hier in het westen. Asia Floor Wage heeft berekend dat van de prijs die voor een gemiddeld kledingstuk wordt betaald slechts 0,5 tot 3% gaat naar de arbeider die het heeft gemaakt. Bij een T-shirt van € 8 is dat dus ongeveer 24 cent. De rest gaat naar de fabriek, het transport, overhead, marketing en de retailer die het uiteindelijk verkoopt.

'De verdeling van het geld in de sector loopt volledig uit de pas,' stelt Korevaar. Volgens Fair Wear Foundation is sprake van een vicieuze cirkel. 'De kledingindustrie is hoog concurrerend met veel aanbieders,' zegt Van Lakerveld. 'De prijs is leidend. Als kledingmerken niet meedoen met die race gaan ze failliet. Diezelfde competitie zie je ook bij de fabrieken. Als ze niet voor € 5 kunnen produceren gaat de klant naar iemand anders. Overheden knijpen vaak een oogje toe, bang om bedrijven te zien verdwijnen. Ook de consument werkt er aan mee. Zo lang wij er hier geen aandacht voor hebben, houden we het probleem daar in stand.'

Waar ligt de oplossing?

Hoe los je een dergelijk probleem op? Door stapje voor stapje te proberen de situatie te verbeteren. ASN Bank en Fair Wear Foundation doen dat via de kledingmerken zelf. Die betalen niet de salarissen in de kledingfabrieken, maar hebben door hun positie bovenaan de keten wel grote invloed. Van Lakerveld: 'Zij kunnen de lonen beïnvloeden via de prijzen die ze betalen, onder meer door daar alle kosten in mee te berekenen. Ook is het belangrijk dat ze contracten voor de langere termijn afsluiten, waardoor fabrikanten meer zekerheid krijgen. Nu is 6 maanden in deze sector soms al lange termijn.'

Ook een bank betaalt niet de salarissen van werknemers, maar kan door financiering van en beleggingen in bedrijven invloed uitoefenen. Zo sluit ASN Bank bedrijven uit die in fossiele brandstoffen of wapens zitten, maar ook als ze mensenrechten overtreden. De bank neemt sinds 2016 het voortouw om een leefbaar loon voor textielwerkers breed onder de aandacht te brengen. 'Door onze lobby proberen we kledingmerken zich sterk te laten maken voor een leefbaar loon in die landen,' legt Van der Sluijs uit.

'De prijs is leidend. Als kledingmerken niet meedoen met die race gaan ze failliet.'
Anne van Lakerveld, FairWear Foundation

Hoe pak je dat aan?

Als senior adviseur mensenrechten bij ASN Bank is Van der Sluijs trekker van het ‘Platform Living Wage Financials’ (PLWF) waarvoor de bank in 2018 samen met pensioenbeheerder MN en Triodos Investment Management het voortouw nam. Daarin maken inmiddels 12 financiële instituten als ING, ABN AMRO, Amundi, Triodos IM, Achmea IM en Robeco zich sterk voor betere arbeidsomstandigheden en een leefbaar loon in de kledingindustrie. De investeerderscoalitie heeft samen meer dan € 2.500 miljard (2,5 biljoen) aan vermogen onder beheer en gebruikt haar invloed binnen de bedrijven waarin ze investeert.

Het platform heeft rond de 14 internationale kledingmerken uitgekozen die ASN Bank elk jaar langs een meetlat legt, volgens een methodiek die de ASN Bank met accountantsbureau Mazars heeft ontwikkeld en die is gebaseerd op de Guiding Principles on Business and Human Rights van de Verenigde Naties.

Het gaat om grote beursgenoteerde bedrijven als Adidas, H&M, Marks & Spencer, Esprit en Puma. De resultaten worden door internationale accountants gevalideerd. Zo kunnen ze punten verdienen als ze streven naar een leefbaar loon bij hun producenten, in kaart brengen wat daar voor nodig is en overleggen met werkgevers, vakbonden en andere stakeholders. 'We gaan niet alleen af op data die de bedrijven aanleveren, maar doen zelf onderzoek. Zo kunnen we meten en zien of ze langzaam stapjes vooruit maken,' zegt Van der Sluijs.

Is er vooruitgang merkbaar?

Ja. Het platform publiceerde in oktober 2019 zijn tweede rapport. Daaruit blijkt dat de kledingmerken sinds 2018 stapjes in de goede richting hebben gemaakt. Geen enkel merk zit meer in de ‘embryonale fase’ waarin het nauwelijks het belang van een leefbaar loon onderkent. Alle bedrijven erkennen dat inmiddels en een meerderheid maakt hier zelfs een punt van bij zijn leveranciers. Dat is echter nog geen garantie dat er op de werkvloer ook leefbare lonen betaald worden.

Het rapport maakt duidelijk dat daarvoor nog een lange weg te gaan is. Dat bedrijven niet individueel langs de meetlat worden gelegd met al hun positieve en minpunten is volgens Van der Sluijs een bewuste keuze. 'Onze bedrijven zijn de voorlopers. Wij houden meer van ‘naming & faming’ dan ‘naming en shaming’. We willen de bedrijven die het goed doen helpen,' legt ze uit. Het doel van ASN Bank is dat de kledingsector in 2030 alle benodigde processen heeft geïmplementeerd om een leefbaar loon voor werknemers in de keten mogelijk te maken. Sowieso bij deze 13 bedrijven.

Hoe meten andere organisaties dat?

Van Lakerveld onderschrijft die aanpak. Bij Fair Wear Foundation - dat samenwerkt met ASN - zijn ruim 130 kleinere en middelgrote kledingmerken aangesloten die zich committeren aan een leefbaar loon. Ook deze merken worden langs een meetlat gelegd, waarbij Fair Wear kijkt waar ze hun kleding laten maken, hoe ze omgaan met leveranciers en of ze zich inspannen voor een leefbaar loon. Daar rolt een score uit die vergeleken wordt met de andere merken. 'Naming en faming’ is veel effectiever. Wij laten zien wat er goed gaat en geven aanbevelingen. Maar als een merk 2 jaar achter elkaar geen voortgang laat zien en een onvoldoende scoort, dan nemen we afscheid,' zegt ze.

En de vakbonden, wat doen die?

Omdat de hoogte van lonen vaak een resultaat is van onderhandelingen tussen overheid, werkgevers en werknemers spelen vakbonden een belangrijke rol. FNV Mondiaal volgt hierin een tweesporenbeleid. Ze steunt lokale vakbondsacties in landen als India, Indonesië, Myanmar, Ethiopië of Bangladesh en leert collega’s in die landen hoe ze moeten onderhandelen en een goede cao af kunnen sluiten. Zo kunnen ze de minimum lonen omhoog krijgen richting een leefbaar loon.

'We zijn bijvoorbeeld in Myanmar samen met de bonden bezig de kosten voor levensonderhoud en de lonen in verschillende regio’s met elkaar te vergelijken. Zo krijgen we een objectief beeld van de koopkracht,' vertelt Korevaar. 'Die data gebruiken we voor de discussie tussen overheid, vakbonden en werkgevers.'

Tegelijkertijd informeert FNV Mondiaal kledingmerken in Nederland over wantoestanden in de producerende landen. Via convenanten probeert ze merken daar verantwoording voor af te laten leggen. Korevaar: 'Ze kunnen wel zeggen: wij hebben geen mensen in dienst, wij onderhandelen alleen over de prijs, maar ze hebben hierin wel degelijk een verantwoordelijkheid.'

'Ze kunnen wel zeggen: wij hebben geen mensen in dienst, wij onderhandelen alleen over de prijs, maar ze hebben hierin wel degelijk een verantwoordelijkheid.'
Ruben Korevaar, Beleidsadviseur bij FNV Mondiaal

Zijn er nog andere initiatieven?

Er zijn nog veel meer initiatieven die zich sterk maken voor betere arbeidsomstandigheden en hogere lonen in de kledingindustrie. Binnen het internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) worden convenanten gesloten. De bedrijven en organisaties die het Convenant Duurzame Kleding en Textiel hebben ondertekend verplichten zich om discriminatie, kinderarbeid en dwangarbeid te signaleren en tegen te gaan. Een van de eerste stappen is om hun productielocaties te laten doorlichten. In september 2019 startten convenantsbedrijven Schijvens Corporate Fashion en Zeeman Textielsupers (beide lid van Fair Wear Foundation) bijvoorbeeld een ketensamenwerking voor het betalen van leefbaar loon in een Pakistaanse textielfabriek.

De Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) doet onderzoek naar arbeidsomstandigheden in de textiel- en kledingindustrie en analyseert bedrijfsmodellen en -praktijken die tot schendingen van arbeids- en mensenrechten leiden. Daarna lobbyt de SOMO binnen organisaties en netwerken voor verbetering.

Verder ondersteunt ASN Bank bijvoorbeeld het project van Fair Labor Association (FLA) om per land betere data over leefbare lonen te verzamelen en te vergelijken.

Brengt dat de oplossing dichterbij?

Denken bank, vakbond en stichting dat dit alles een oplossing nabij brengt? Korevaar: 'Met convenanten kun je samen het goede voorbeeld stellen en zeggen: wij zorgen dat mensen fatsoenlijk betaald krijgen. Maar om het probleem echt op te lossen zou het hele businessmodel in de kledingindustrie anders ingestoken moeten worden. Landen en bedrijven kunnen dit niet alleen doen. De marges zijn te laag en de consument kiest nog steeds voor de laagste prijs.'

Van Lakerveld: 'Je zou ook strikter kunnen controleren op het naleven en ratificeren van ILO-verdragen. Maar uiteindelijk heb je de hele sector nodig om de lonen omhoog te krijgen. Ook consumenten moeten bewuster worden van waar ze mee bezig zijn.'

Van der Sluijs: 'Wij proberen als bank ons steentje bij te dragen, maar we kunnen dit niet alleen. We hebben bedrijven nodig, overheden in al die landen en de EU. Die moet bijvoorbeeld geen producten meer toelaten uit landen waar uitbuiting of kinderarbeid plaatsvindt. Met al die partijen moeten we de dialoog aangaan.'

Lees meer over leefbaar loon in de kledingindustrie

Delen op:

Dit vind je misschien ook interessant